Actualisatie governancecode kan vooruitstrevender

Reactie PwC op het consultatiedocument

De Nederlandse Corporate Governance Code moet op maatschappelijke ontwikkelingen vooruit blijven lopen, zoals op het gebied van ESG. Verder zouden vier onderwerpen een (explicieter) plaats verdienen in de code: de rol van de auditcommissie, ketenverantwoordelijkheid, diversiteit en tax governance, stelt PwC in een reactie op de voorstellen voor actualisatie van de code.

De actualisatie van de Nederlandse Corporate Governance Code komt wat PwC betreft geen moment te vroeg. Onder druk van de grote crises van deze tijd – waaronder de klimaatcrisis, de Covid-pandemie, oorlog in Europa en groeiende sociale ongelijkheid – is er sprake van een versnelling in het maatschappelijk denken over de verantwoordelijkheid van ondernemingen, die opschuift van financieel rendement voor aandeelhouders naar waardecreatie voor alle stakeholders. Van grijs naar groen. Van alleen naar samen. Van geslotenheid naar transparantie. En van profit naar purpose. En daarmee van de focus op financiële informatie naar ook niet-financiële informatie, zoals prestatie-indicatoren op het gebied van Enviroment, Social & Governance (ESG). In het licht van deze ontwikkelingen is het zinvol en wellicht zelfs noodzakelijk om te actualiseren wat we met elkaar verstaan onder goede governance.

De Code als aanjager van verandering

Succesvol veranderen vereist een maatschappelijke antenne die scherp staat afgesteld. De Code kan ondernemingen hierbij helpen, mits zij – net als tijdens de opstelling in 2003 – een afspiegeling blijft van de tijdsgeest en daarmee wet- en regelgeving een stap voorblijft. Maatschappelijke verwachtingen veranderen immers sneller dan wetgevers kunnen bijbenen. Vooruitstrevendheid moet volgens PwC dan ook de rode draad blijven, wil de Code relevant blijven door meerwaarde te hebben voor ondernemingen en hun (maatschappelijke) stakeholders.

Een voorbeeld van een belangrijke maatschappelijke ontwikkeling is de toenemende aandacht voor ESG. ESG dient integraal onderdeel te zijn van de strategie en (financiële) rapportage van een onderneming. Niet-financiële (ESG) indicatoren hebben immers steeds meer implicaties voor het risicoprofiel en de financiële prestaties van een onderneming. De verantwoording over en controle van financiële en niet-financiële prestaties dient op een integrale wijze te geschieden om te kunnen voldoen aan de informatiebehoeften van stakeholders op het gebied van bijvoorbeeld klimaatdoelstellingen.

Het voorstel in bepaling 1.1.1 lijkt de gewenste integrale zienswijze te suggereren, waar in bepaling 1.1.4 en 1.1.6 de perceptie ontstaat dat ESG naast de strategie staat. PwC ziet daarom graag meer expliciete ESG-gerelateerde Code-bepalingen. Daarnaast komt de Europese Corporate Sustainability Reporting Directive eraan. Veel beursvennootschappen zijn via deze richtlijn reeds verplicht vanaf 2024 te rapporteren over hun impact op mens en milieu. Wil de code relevant blijven, dan moet deze op dergelijke ontwikkelingen vooruitlopen.

Meer aandacht gewenst voor vier onderwerpen

Vier onderwerpen verdienen volgens PwC een (meer expliciete) plaats in een geactualiseerde code.

1. Auditcommissie: ook kijken naar niet-financiële informatie en bevindingen publiekelijk delen

In het voorstel voor actualisatie van de Code blijft de rol van de auditcommissie ongewijzigd: haar primaire taak is toezien op de integriteit van financiële verslaglegging. Dat is ook een van de focuspunten van de raad van commissarissen (rvc), wiens rol ook niet wordt gewijzigd (principe 1.5).

Tegelijkertijd stelt de commissie – terecht – dat niet-financiële (ESG) informatie belangrijker wordt. Het is daarom essentieel dat de auditcommissie ook kijkt naar deze aspecten van de door haar gecontroleerde onderneming. PwC zou er voorstander van zijn dat de verantwoordelijkheden voor het toezicht van de rvc en de auditcommissie op niet-financiële (ESG) informatie expliciet worden gemaakt in de Code.

Bepaling 2.3.5 van de code (‘verslag commissies’) stelt dat de rvc via haar rvc-verslag (dat wordt opgenomen in het jaarverslag van de onderneming) verslag doet van de uitvoering van de taakopdracht van de commissies in het boekjaar en de belangrijkste onderwerpen die in de commissies aan de orde zijn gekomen.

De auditcommissie is een van die commissies. Langs deze weg wordt de rvc dus gevraagd de belangrijkste beraadslagingen en bevindingen van de auditcommissie publiekelijk te delen. Het wordt echter in het midden gelaten welke onderwerpen in relatie tot de taak van de auditcommissie in ieder geval aan de orde dienen te komen. Daarentegen is in bepaling 1.5.3 (‘verslag auditcommissie’) benoemd over welke vier specifieke onderwerpen de auditcommissie intern aan de rvc in ieder geval verslag dient uit te brengen.

Deze informatie is echter ook relevant voor stakeholders en de maatschappij. Daarom geeft PwC de Monitoring Commissie in overweging – naar Brits voorbeeld – in de code te expliciteren dat de beraadslagingen en bevindingen van de auditcommissie over deze vier specifieke onderwerpen naast intern ook extern worden gedeeld via het rvc-verslag.

2. Balans in de keten: een gedeelde verantwoordelijkheid

De accountancysector heeft een stap voorwaarts gezet door in de accountantsverklaring de uitgevoerde werkzaamheden op het gebied van fraude en continuïteit op te nemen voor bepaalde groepen van ondernemingen, stelt PwC. Dit in aanvulling op de bestaande verantwoordelijkheid van accountants op deze onderwerpen. Echter, de accountant alleen is niet bij machte het vertrouwen in het handelen van ondernemingen te borgen. Het is immers primair de taak van bestuurders en commissarissen om de verantwoordelijkheid voor deze onderwerpen in het beleid te verankeren en daarover verslag te leggen richting stakeholders.

PwC denkt daarom dat het gewenst is om op drie actuele en maatschappelijk relevante thema’s – te weten fraude, continuïteit en in control – de verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen in de Code te verankeren en daarmee bij te dragen aan meer balans in de keten van betrouwbare informatievoorziening door ondernemingen.

Ten eerste valt PwC op dat de verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen ter voorkoming van fraude en overtreding van wet- en regelgeving – oftewel preventie – niet genoemd wordt in de Code. In de Code wordt nu enkel over deze thema’s gesproken in termen van achteraf, wanneer misstanden en onregelmatigheden worden geconstateerd. Daarbij geven gebruikers van jaarrekeningen nadrukkelijk aan dat zij behoefte hebben aan betere informatieverschaffing en verantwoording door ondernemingen over de risico’s omtrent en waarborgen om fraude en overtreding van wet- en regelgeving te voorkomen. PwC pleit er daarom voor informatieverschaffing over waarborgen voor fraudepreventie en naleving van wet- en regelgeving in het bestuursverslag en in het verslag van de raad van commissarissen op te nemen in de Code als ‘best practice’.

Ten tweede merkt PwC dat gebruikers van jaarrekeningen informatieverschaffing door ondernemingen onvoldoende vinden over toekomstbestendigheid, weerbaarheid en continuïteitsrisico’s op middellange en lange termijn. De huidige wet- en regelgeving voorziet op dit moment slechts in informatieverschaffing bij een ernstige onzekerheid omtrent continuïteit en heeft enkel een tijdshorizon van een jaar vooruit. Ook de huidige Code vraagt slechts informatie over materiële risico’s die redelijkerwijs zijn te voorzien op het moment dat de bestuursverklaring wordt afgegeven. Het is daarom van waarde in de Code te verankeren dat bestuurders en commissarissen meer in algemene zin rapporteren over risico’s omtrent weerbaarheid en toekomstbestendigheid. Dat kan bijvoorbeeld via de introductie van een verplicht viability statement, zoals reeds gebruikelijk is in het Verenigd Koninkrijk.

Ten derde is een belangrijk advies uit het rapport ‘Versterking Verantwoordingsketen’ van Universiteit Leiden niet overgenomen in het voorstel voor actualisatie van de Code: de Verklaring omtrent Risicobeheersing, ook wel bekend als in control statement. Universiteit Leiden beveelt aan dat het bestuur van grote ondernemingen een dergelijke verklaring opstelt en dat deze verplichting wettelijk verankerd wordt in Boek 2 Burgerlijk Wetboek. Dit advies is mede ingegeven door de praktijk dat ondernemingen op uiteenlopende wijze inhoud geven aan bepaling 1.4.3, zoals blijkt uit het onderzoek van Universiteit Leiden. De minister van Financiën heeft dit advies in het Wetsvoorstel toekomst accountancysector terzijde gelegd en in plaats daarvan u gevraagd in overweging te nemen een expliciet in control statement op te nemen. PwC pleit ervoor dit statement alsnog op te nemen in het voorstel voor actualisatie van de Code, aangezien het de keten van betrouwbaardere financiële en niet-financiële informatievoorziening versterkt en de primaire verantwoordelijkheid hiervoor van de onderneming tot uitdrukking brengt.

3. Diversiteit: inzicht geven essentieel

Diversiteit is een hoeksteen van de S van ESG en daarmee een cruciaal en maatschappelijk relevant thema in de Code. Daarom zijn de beperkingen in bepaling 2.1.6 wat PwC betreft onnodig. Zo stelt de commissie voor inzicht te geven in instroom, doorstroom en behoud, waar ‘relevant en mogelijk’. Er is volop maatschappelijk debat over beloningen en diversiteit, waardoor het thema sowieso relevant is. Inzicht geven is daarnaast gewoon mogelijk: ondernemingen beschikken over de informatie. Of zij dit willen delen is een tweede. Door de huidige woordkeuze zouden ondernemingen hiertoe onvoldoende kunnen worden aangespoord. Verder stelt de commissie voor inzicht te geven in instroom, doorstroom en retentie van ‘divers talent’, terwijl dit belangrijk is voor alle medewerkers, niet enkel degenen die een onderneming als ‘talent’ aanmerkt.

4. Tax governance: duurzame aanpak van fiscaliteit stimuleren

PwC ziet belastingen als integraal onderdeel van ESG: onder meer fiscale stimulering van groen gedrag en afdracht van milieubelastingen (E), belastingen als onderdeel van beloningsbeleid en bezoldiging van bestuurders (S) en verantwoord en transparant belastinggedrag en toezicht hierop (G). In het licht van deze kijk op belastingen is het voorstel voor actualisatie van de Code op dit thema wat PwC betreft een eerste aanzet voor een kapstokbepaling, maar nog onvoldoende concreet. De commissie stelt namelijk voor aan de Code toe te voegen dat ondernemingen bij het vormgeven van hun strategie aandacht besteden aan ‘de evenwichtige bijdrage aan de samenlevingen waarin de vennootschap opereert door betaling van belastingen’. PwC adviseert dit nader uit te werken, op een manier die aansluit bij maatschappelijke verwachtingen over verantwoord belastinggedrag en publieke verantwoording daarover. PwC doet op dit punt twee suggesties.

Het is onduidelijk wat de commissie verlangt van ondernemingen: in bepaling 1.1.1 is toegevoegd dat zij bij het vormgeven van hun strategie aandacht besteden aan hun bijdrage aan de samenleving door betalen van belastingen én aan ESG. In bepaling 1.1.4 komt alleen ESG terug. Belastingen komen hierin dus niet expliciet terug, waardoor ondernemingen kunnen interpreteren dat het bestuur geen verantwoording hoeft af te leggen over de belastingafdracht. PwC stelt voor bepaling 1.1.4 in lijn te brengen met 1.1.1.

Ook pleit PwC voor het expliciet toevoegen van tax governance aan de Code. Tax governance bestaat uit het formuleren van een fiscale langetermijnstrategie, heldere rollen en verantwoordelijkheden, fiscaal risicomanagement en transparantie over de implementatie van de strategie en de belastingafdrachten. Door transparant verantwoording af te leggen is voor stakeholders inzichtelijk hoe ondernemingen fiscaliteit duurzaam in de context plaatsen van hun strategie.

Schragende partijen diverser maken

De veranderde tijdgeest en de ontwikkelingen in het deelnemersveld van het maatschappelijke debat zouden volgens PwC ook tot uitdrukking moeten komen in de samenstelling van de schragende partijen van de Code. Door naast werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, opstellers, institutionele beleggers en vertegenwoordigers van beurs en beleggers, ook andere (belangen)vertegenwoordigers zoals milieu-, mensenrechten- en jongerenorganisaties te zien als schragende partij wordt recht gedaan aan de voortgaande vermaatschappelijking van grote ondernemingen. Bovendien ontstaan nieuwe invalshoeken en perspectieven. Dat helpt volgens PwC om van elkaar te leren, elkaar te inspireren en de Code – en daarmee goede governance – gezamenlijk naar een hoger niveau te tillen.

De Monitoring Commissie Corporate Governance Code publiceerde op 21 februari 2022 voorstellen voor actualisering van de Nederlandse Corporate Governance Code. Er kon tot 17 april gereageerd worden op het consultatiedocument met de voorstellen.   

Klik hier voor meer informatie over corporate governance.