'Rijnlands model als politiek symbool uitgehold'
‘It’s the economy, stupid.’ De slogan waarmee Clinton in 1992 de Amerikaanse presidentsverkiezingen won, is ruim dertig jaar later actueler dan ooit, ook in Nederland. Terwijl we op weg zijn naar de verkiezingen van 2025, laten vrijwel alle partijen zich uit over governance en roepen ze de geest van het Rijnlandse model aan. Een beschouwing door Hugo Reumkens van Van Doorne. ‘Wat ondernemingen en toezichthouders nodig hebben, is geen nieuwe ideologische blauwdruk, maar rust, stabiliteit en voorspelbaarheid.’
Het klinkt vertrouwd: langetermijnbelangen, samenwerking, maatschappelijke verankering. Maar wie de vele verkiezingsprogramma’s werkelijk leest, ziet dat de invulling per politieke partij radicaal verschilt. Voor sommigen legitimeert het model vergaande machtsverschuivingen in de boardroom of alternatieve eigendomsvormen. Voor anderen is het een pleidooi voor behoud van fiscale faciliteiten, internationale aantrekkingskracht en zelfregulering. Het Rijnlandse model, ooit een herkenbare bestuurlijke traditie in continentaal West-Europa (met name in Nederland, Duitsland en Frankrijk) als tegenhanger van het Angelsaksische model waarin de aandeelhouder centraal staat, is in het huidige debat gereduceerd tot een veelkleurig etiket. Het fungeert als vlag voor programma’s die inhoudelijk eerder met elkaar in tegenspraak zijn dan verenigbaar.
Een metafoor die kracht heeft verloren
De klassieke tegenstelling tussen het Rijnlandse en het Angelsaksische model gaat terug op een tijdperk waarin nationale structuren dominant waren, met herkenbare institutionele ankers: medezeggenschap, stakeholder-verantwoordelijkheid, solidariteit aan de ene kant; aandeelhouderswaarde, contractvrijheid en marktlogica aan de andere. Maar die wereld bestaat niet meer. De globalisering heeft modellen vervlochten, markten hebben zich verstrengeld, en ondernemingen zijn allang niet meer eenduidig Rijnlands of Angelsaksisch. Net zomin als politieke ideologieën nog langs de as links-sociaal en rechts-liberaal te vangen zijn, zijn ook de bestuursmodellen van vandaag hybride, situationeel en onderling afhankelijk. Het Rijnlandse model als politiek symbool raakt daardoor uitgehold. Wat resteert is verwarring: partijen claimen dezelfde taal, maar bedoelen iets fundamenteel anders.
Transities dulden geen institutionele spielerei
En ondertussen voltrekken zich de grote transities van onze tijd. Energie, klimaat, technologie, demografie, digitalisering, geopolitiek – elk op zichzelf al complex, maar gezamenlijk ontwrichtend. In die context is het niet de vraag welk model we aanhangen, maar welke bestuurspraktijk we in stand weten te houden. Wat ondernemingen en toezichthouders nodig hebben, is geen nieuwe ideologische blauwdruk, maar rust, stabiliteit en voorspelbaarheid. Bestuur en toezicht zijn geen verlengstuk van het partijprogramma, maar het anker van continuïteit in een tijd waarin het kompas op drift raakt. Politieke pendelbewegingen horen thuis in de arena van verkiezingen, niet in de bestuurskamer.
Besturen is koers houden, niet uitvinden
We hoeven het bestuur van ondernemingen niet telkens opnieuw uit te vinden. Goed bestuur is in essentie waarden gedreven: onafhankelijkheid, prudentie, evenwichtigheid, en het vermogen om tegenkrachten te structureren. Governance is geen model, maar een manier van denken. Bestuurders en commissarissen die hun rol serieus nemen, weten dat hun werk niet draait om zichtbaarheid, maar om vertrouwen. Om het durven nemen van verantwoordelijkheid in het besef dat maatschappelijke legitimiteit alleen ontstaat wanneer stabiliteit en koersvastheid worden gecombineerd met ontvankelijkheid voor verandering. Het Rijnlandse model als metafoor mag blijven – mits we het niet misbruiken als vehikel voor structurele onzekerheid. De vraag is niet of we terug moeten naar een ander model, maar of we in staat zijn de governance van nu aan te passen aan de eisen van morgen – zonder onze ankers te verliezen.
Slot
De verkiezingsprogramma’s van 2025 tonen vooral een institutionele hyperactiviteit die weinig oog heeft voor de bestuurlijke realiteit. De kans is groot dat een vierpartijencoalitie deze retoriek zal temperen. Wat blijft, is de opdracht om in de praktijk koers te houden. It’s the economy, stupid. Maar in tijden van transitie zijn het bestuur en toezicht die het verschil maken, niet door telkens van koers te veranderen, maar door richting te blijven geven.