Tegenstrijdig belang in de boardroom: wat iedere toezichthouder moet weten

Juridisch
Welke praktische consequenties heeft de Getir-uitspraak van de Hoge Raad voor bestuurders en commissarissen?

Wie beslist of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft? Die vraag raakt direct aan de taak en verantwoordelijkheid van iedere commissaris. De Hoge Raad heeft deze vraag in april 2026 in de Getir-beschikking ondubbelzinnig beantwoord: niet de betrokken bestuurder, maar de medebestuurders beslissen. In een dualistisch stelsel met een raad van commissarissen is die rol des te pregnanter. Maarten Appels van Van Doorne schetst het juridisch kader, analyseert de Getir-zaak en doet concrete aanbevelingen voor de governance-praktijk.

Het wettelijk uitgangspunt is helder. Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het vennootschapsbelang. Van een tegenstrijdig belang is sprake indien de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap. Wanneer daardoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen (rvc), of bij ontbreken daarvan door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen. Achter die heldere ratio gaat echter een complexe praktijk schuil. Want wanneer is er nu precies sprake van een tegenstrijdig belang? Wie stelt dat vast? En wie beslist als bestuurders onderling van mening verschillen?

Actualiteit: de Getir-zaak

Feiten en kernproblematiek

De aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad is – kort samengevat – als volgt: Getir is een Nederlandse houdstermaatschappij van een internationale groep met Turkse wortels. Na een periode van snelle groei raakte zij in 2023 in financiële problemen. Haar grootste financier, Mubadala (circa 29% van de aandelen), verstrekte in juni 2024 aanvullend krediet van 250 miljoen Amerikaanse dollar (USD). In ruil daarvoor deden de oprichters (hierna: Founders, gezamenlijk eigenaar van een belang van circa 21%) afstand van hun overwegende zeggenschap en traden zij terug als uitvoerend bestuurder, waarna zij als niet-uitvoerend bestuurder werden benoemd. Tegelijkertijd sloten partijen een Term Sheet over een Hive-Out: de kernactiviteiten in Turkije zouden aan Mubadala worden toebedeeld tegen kwijtschelding van schulden, terwijl de oprichters, aandelen in de overige dochterondernemingen zouden ontvangen.

De onderhandelingen over de uitwerking van de Hive-Out liepen stuk. Op 30 december 2024 liet Mubadala weten geen verdere financiering te verstrekken. Op 31 december 2024 stelden de uitvoerende bestuurders dat zowel de op voordracht van Mubadala en G Squared benoemde niet-uitvoerende bestuurders als de Founder-bestuurders, door hun economische belangen in de structuur, een tegenstrijdig belang hadden en derhalve niet mochten deelnemen aan de besluitvorming over de voorgestelde transactie. Op 7 en 10 januari 2025 namen de uitvoerende bestuurders — buiten aanwezigheid van de Founders — de besluiten om in te stemmen met de door Mubadala aangeboden transactie.

De Founders waren van mening dat zij geen persoonlijk tegenstrijdig belang hadden. Zij startten een enquêteprocedure en betoogden (onder andere) dat het primair aan henzelf was om te beoordelen of zij een tegenstrijdig belang hadden, en dat bij een geschil hierover de rechter — niet de medebestuurders — diende te beslissen.

Oordeel van de Ondernemingskamer 

De Ondernemingskamer (24 januari 2025) verwierp het standpunt van de Founders. De oprichters waren zelf partij bij de Term Sheet en hadden een persoonlijk belang bij nakoming daarvan. Nu Mubadala had laten weten dat nakoming niet meer mogelijk was als de transactie zou worden aanvaard, hadden de Founders er persoonlijk belang bij dat Getir die transactie juist níet zou aanvaarden. Onder die omstandigheden kon in redelijkheid worden betwijfeld of zij zich bij de besluitvorming uitsluitend zouden laten leiden door het vennootschapsbelang, aldus de Ondernemingskamer. De uitvoerende bestuurders hadden hun standpunt bovendien op 31 december 2024 uitdrukkelijk met de Founders besproken, zodat de uitsluiting van beraadslaging en besluitvorming geen verrassing kon zijn geweest. Het verzoek werd afgewezen. Tegen dit oordeel zijn de Founders in cassatie gegaan. 

Conclusie van de Advocaat-Generaal 

De Advocaat-Generaal (conclusie 5 december 2025) onderbouwde de uitkomst van de Ondernemingskamer uitvoerig aan de hand van de parlementaire geschiedenis. De minister van Justitie had bij de totstandkoming van de wet uitdrukkelijk aangegeven de beslissing over het bestaan van een tegenstrijdig belang niet te willen neerleggen bij de bestuurder zelf, omdat het risico van belangenverstrengeling dan te groot blijft. De Advocaat-Generaal wees daarnaast op best practice 2.7.3 van de Corporate Governance Code, die bepaalt dat de rvc — buiten aanwezigheid van de betrokken bestuurder — besluit of sprake is van een tegenstrijdig belang. Ook in die systematiek wordt het nadrukkelijk niet aan de bestuurder zelf overgelaten.

Beschikking van de Hoge Raad

De Hoge Raad (10 april 2026) bevestigde uiteindelijk dit oordeel en formuleerde het rechtskader als volgt: de wet bevat geen nadere regeling over de melding en vaststelling van een tegenstrijdig belang. Het ligt op de weg van de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang om een zo groot mogelijke openheid te betrachten en dit te melden aan zijn medebestuurders. Bij verschil van inzicht is het niet aan de betrokken bestuurder zelf, maar aan de andere bestuurders om te beslissen of daadwerkelijk sprake is van een tegenstrijdig belang — ook als de betrokken bestuurder geen melding heeft gedaan. Indien de medebestuurders oordelen dat uitsluiting geboden is, dienen zij er ook daadwerkelijk zorg voor te dragen dat de betrokken bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming.

Key takeaways voor de praktijk

  • De betrokken bestuurder heeft geen beslissende stem over zijn eigen positie. Bij verschil van inzicht beslissen de medebestuurders — ook als de betrokken bestuurder zelf meent dat er geen (persoonlijk) tegenstrijdig belang is.
  • De meldingsplicht is essentieel, maar heeft geen absolute werking. De beslissingsbevoegdheid van de medebestuurders geldt ook als de betrokken bestuurder in het geheel geen melding heeft gedaan.
  • Medebestuurders dragen een actieve verantwoordelijkheid. Oordelen zij dat uitsluiting geboden is, dan dienen zij dat ook daadwerkelijk te effectueren.
  • Documentatie is onmisbaar. Het zorgvuldig vastleggen van de afweging in notulen of een schriftelijk bestuursbesluit beschermt de vennootschap en de individuele bestuurders bij een latere toetsing.

Lessons learned voor bestuurders en commissarissen

De Getir-uitspraak verankert een bestaand uitgangspunt

De Hoge Raad introduceert geen geheel nieuw recht, maar verduidelijkt en verankert een bestaand — maar in de praktijk niet altijd eenduidig toegepast — uitgangspunt. De centrale vraag is nu beantwoord: de medebestuurders beslissen, niet de betrokken bestuurder zelf. Daarmee bevestigt de Hoge Raad dat het leerstuk van het tegenstrijdig belang niet alleen materieel (ís er een conflict?), maar ook procedureel (wie oordeelt hierover?) van groot belang is.

De cruciale rol van de rvc in een dualistisch stelsel

In de Getir-zaak was geen rvc aanwezig: Getir kende een monistisch bestuur (one-tier board). In een dualistisch stelsel mét rvc geldt de door de Hoge Raad geformuleerde regel a fortiori. Als reeds medebestuurders — die zelf deel uitmaken van hetzelfde orgaan — bevoegd zijn om te beslissen over het tegenstrijdig belang van een collega-bestuurder, dan komt die bevoegdheid des te meer toe aan de rvc als onafhankelijk toezichtsorgaan. 

De Corporate Governance Code (best practice 2.7.3) schrijft dit ook uitdrukkelijk voor: de rvc besluit — buiten aanwezigheid van de betrokken bestuurder of commissaris — of sprake is van een tegenstrijdig belang. In die systematiek wordt het nadrukkelijk niet aan de bestuurder zelf gelaten om hierover te oordelen.

Een goed functionerende rvc zorgt ervoor dat bestuurders hun meldingsplicht tijdig nakomen, stelt vragen bij signalen van mogelijke belangenverstrengeling, en beschikt over helder gedefinieerde procedures.

Advies: leg het vast in statuten of reglementen

De wet bevat geen nadere regeling over de melding en vaststelling van een tegenstrijdig belang. De Getir-beschikking vult die leemte deels in, maar het is raadzaam de beschikbare statutaire en reglementaire ruimte te benutten. Concreet advies:

  • Stel een expliciete procedure in voor het melden en beoordelen van (mogelijke) tegenstrijdige belangen: wie meldt, aan wie, en hoe vindt de beoordeling plaats.
  • Bepaal statutair of reglementair dat de rvc beslist bij verschil van inzicht over de vraag of een tegenstrijdig belang bestaat. Dit voorkomt een patstelling en borgt dat de beslissing bij een onafhankelijk orgaan ligt.
  • Zorg voor een escalatiepad voor het geval de rvc zelf een (mogelijk) tegenstrijdig belang heeft — bijvoorbeeld door de algemene vergadering te laten beslissen of door een onafhankelijke commissie in te stellen.
  • Voer jaarlijks een ‘conflict check’ uit als vast agendapunt van de rvc, waarbij bestuurders hun nevenfuncties en belangen in gelieerde partijen actualiseren.

Kern van behoorlijk bestuur

Het tegenstrijdig-belangleerstuk raakt aan de kern van behoorlijk bestuur: de zekerheid dat besluiten worden genomen door personen die onbevangen, met het vennootschapsbelang als leidraad, kunnen oordelen. De Getir-beschikking biedt welkome duidelijkheid. Het is nu aan bestuurders en commissarissen om die duidelijkheid te vertalen naar concrete governance-afspraken binnen hun eigen organisatie. Want het is altijd beter een tegenstrijdig-belangprocedure te hebben en haar niet nodig te hebben, dan haar nodig te hebben en er niet over te beschikken.

Maarten Appels is notaris en partner bij Van Doorne en is gespecialiseerd in het ondernemingsrecht. Zijn praktijk bestrijkt het vennootschapsrecht, corporate governance, fondsstructurering, nationale en grensoverschrijdende structurering, M&A, private equity en ESG. 

Klik hier voor contact met Maarten Appels.