‘Twee snelheden wekt vaak irritatie op’
‘De OR moet zichzelf opvoeden over wat wel en niet kan; wat beter kan. Maar als ‘kleine broertje/zusje’ van de rvc en rvt in de driehoek ook hun ‘grote broers & zussen’ opvoeden. Zichzelf laten zien. Te vaak kijkt de OR nog op tegen rvc en rvt.’ Gerben van der Meulen (FNV) begeleidt vanuit het initiatief Driehoek in Dialoog organisaties die meedoen aan de pilot om de driehoek beter te laten functioneren. ‘Gebruik de kennis van medewerkers.’
Driehoek in Dialoog is een initiatief van de Alliantie Medezeggenschap en Governance (AMG) en richt zich op het versterken van de dialoog tussen bestuur, toezichthouders en medezeggenschapsorganen in de zogenaamde 'Gouden Driehoek'. Een effectieve dialoog betekent een betere samenwerking tussen de verschillende governance-actoren. Dit leidt tot inclusieve besluitvorming en meervoudige waarde voor betrokkenen op lange termijn. Een initiatief mede mogelijk gemaakt door de Goldschmeding Foundation. Gerben van der Meulen, voorheen lid Algemeen Bestuur FNV, begeleidt twee pilots binnen Driehoek in Dialoog (Dianet en Milieudefensie). Twee organisaties die de onderlinge verstandhouding in de driehoek willen verbeteren.
Hoe is in het algemeen gesteld met de rol van de OR/medezeggenschap in de driehoek met rvc en rvb?
‘Vaak is de houding van rvb en rvc nog altijd: de OR doet weer moeilijk. Moeten we weer wachten, terwijl we verder willen. Ik constateer vanuit eigen ervaringen dat er vaak twee snelheden zijn. Rvb en rvc zijn al lang bezig met plannen voorbereiden die medezeggenschap dan voor het eerst ziet en feitelijk direct daar antwoord op moeten geven. Zo heeft bestuur een enorme voorsprong. De OR wordt nog veel te vaak niet of veel te laat meegenomen in strategische planvorming. Het zijn te vaak twee sporen die naast elkaar lopen. Nieuws komt niet zelden alleen uit de wandelgangen. Diverse snelheden wekt irritatie op. Dat is jammer want als je op voorhand goede afspraken maakt, helpt dat in het realiseren van jouw strategische doelen als organisatie.’
Dorine Wekking van de AMG zei eerder: gebruik juist die medeweker. Die weet zoveel. Die heb je juist nodig in deze complexe tijden. Niemand kan het alleen, ook het bestuur niet.
‘Daar ben ik het honderd procent mee eens. Het is toch een illusie dat een commissaris/ toezichthouder die vier, vijf, maximaal tien keer per jaar in een organisatie komt, beter snapt wat er aan de hand is dan die medewerker. De Driehoek in Dialoog is er juist om duidelijk te maken dat je kennis kunt benutten om samen strategisch verder te kunnen. Vergelijk het met een gezin. De OR is het jonge broertje/zusje die hoog opkijkt tegen de grote broer: rvc en rvb. OR moet zichzelf opvoeden en durven opstaan. De grote broer/zus voelt zich aan de andere kant heel wat en moet meer oog hebben voor de “kleine kinderen”. Het is elkaar opvoeden.’
Je begeleidt binnen de Driehoek in Dialoog, Milieudefensie en Dianet. Wat is de rode draad vanuit jouw bezien in de begeleidende rol om de dialoog op gang te brengen?
‘Niet alleen bij deze twee partijen, maar ook daaromheen hoor ik vaak: kunnen wij ook niet meedoen aan Driehoek in Dialoog? Er is overall veel belangstelling. Waarom? Ik denk omdat er bij alle drie de hoeken van de driehoek nog veel onwetendheid is over elkaars rol. Maar er is ook een steeds grotere intrinsieke behoefte om anders met elkaar om te gaan. Meer vanuit de menselijke maat. Ik moet als begeleider wel oppassen om niet op één van de drie hoeken te gaan leunen. De organisatie moet het doen, ik geef alleen instrumenten om de dialoog beter te maken. Onder meer met de tools die we aanreiken vanuit de ontwikkelde toolbox.’
Hoe ziet u de ‘gouden driehoek’ in de toekomst?
‘De Wet op de Ondernemingsraad moet misschien een klein beetje worden aangepast op het gebied van governance en de voordrachtscommissaris. Maar los van de te volgen regels en wetten denk ik dat het veel meer gaat om het karakter van de betrokkenen. Hoe willen we met elkaar omgaan? De ondernemer moet veel meer gaan inzien dat als-ie geen gebruik maakt van de OR, medezeggenschap en de medewerkers, dat hij/zij zich uiteindelijk zelf tekort doet. De OR kan veel betekenen voor een onderneming. We moeten af van het negatieve imago rondom medezeggenschap. En de afstand tussen OR en toezicht moet ook kleiner worden. Commissarissen benaderen medezeggenschap toch een stuk omzichtiger dan bestuurders.’