Kwalificatie arbeidsrelatie bestuurder

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?

Er bestaat geregeld discussie over de vraag of een arbeidsrelatie met een bestuurder kwalificeert als arbeidsovereenkomst of als overeenkomst van opdracht. Recent werden er enkele uitspraken gewezen waaruit volgt dat oplettendheid geboden blijft. Steven Sterk, partner en advocaat bij Van Doorne, bespreekt de hoofdlijnen. ‘Dit ligt extra gevoelig bij bestuurders.’

De vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, komt geregeld aan de orde in de rechtspraak. Dat komt omdat niet doorslaggevend is hoe partijen de overeenkomst noemen. Een overeenkomst kan ‘overeenkomst van opdracht’ getiteld zijn maar nog steeds als arbeidsovereenkomst is te  kwalificeren. Kort gezegd is er een arbeidsovereenkomst als is voldaan aan de volgende elementen:
* verplichting van werknemer (persoonlijk) arbeid te verrichten;
* verplichting van werkgever tot betaling van loon
* en tussen werkgever en werknemer is een gezagsverhouding.

Sinds het arrest Groen/Schoevers van de Hoge Raad (14 november 1997) ging men ervan uit dat voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst ook van belang is of partijen bedoeld hebben een arbeidsovereenkomst te sluiten of juist niet. In zijn arrest van 6 november 2020 oordeelde de Hoge Raad echter dat bij het kwalificeren van de overeenkomst niet van belang is of partijen bedoeld hebben een arbeidsovereenkomst te sluiten. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid, speelt de bedoeling van partijen dus geen rol bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. 

Extra gevoelig voor bestuurders

Bij bestuurders is deze materie extra gevoelig. Ondanks het feit dat bestuurders en hun werkgever geregeld niet de bedoeling hebben een arbeidsovereenkomst te sluiten, lijkt de overeenkomst inhoudelijk soms wel op een arbeidsovereenkomst. Dan doet de partijbedoeling er dus niet toe en kan de inhoud van de overeenkomst ervoor zorgen dat toch een arbeidsovereenkomst bestaat. Een dergelijke situatie was aan de orde in de recente Volksbank-zaak, waar de rechter op 5 augustus 2021 een oordeel velde. Onder de titel ‘overeenkomst van opdracht’ werd tussen de bank en de bestuurder een overeenkomst gesloten die veel elementen leek te hebben van een arbeidsovereenkomst. Die overeenkomst werd door de bank tijdens ziekte van de bestuurder opgezegd. De bestuurder stelde toen dat er eigenlijk sprake was van een arbeidsovereenkomst en de overeenkomst niet opgezegd had mogen worden. Anders dan verwacht, vond de rechtbank dat sprake was van een overeenkomst van opdracht. De rechtbank overwoog dat er sprake was van gelijkwaardige partijen. De bestuurder had immers gedegen rechtskennis en een goede onderhandelingspositie. Daarom was het niet nodig door de overeenkomst heen te lezen en te kijken of sprake was van een ander soort overeenkomst dan volgens de tekst aanwezig was. De rechtbank lijkt dus toch in aanmerking te nemen dat partijen volgens de tekst de overeenkomst bedoeld hadden als opdrachtovereenkomst. Hoewel betwijfeld kan worden of dit terecht is, moet de bestuurder het hiermee voorlopig doen. Deze uitspraak toont de onvoorspelbaarheid aan van de discussie over de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst van bestuurders. Het is gelet op deze onvoorspelbaarheid verstandig om bij het sluiten van de overeenkomst heel goed te bedenken hoe deze dient te worden ingericht. Dat voorkomt onzekerheid en verrassingen achteraf voor zowel werkgever als bestuurder.

Lees hier meer over de auteur, of voor contactgegevens Steven Sterk